Toen in mei heel Nederland zich weer eens bezig hield met de bezettingstijd, moest ik denken aan een oud joods echtpaar dat ik vroeger kende.
Ze verloren hun familie aan de Duitsers en hun geld aan een paar verre van onbaatzuchtige Nederlanders, bij wie ze erg duur ondergedoken zaten.
‘Nou ja, we zijn er doorheen gekomen,’ zeiden ze altijd, als de bezetting ter sprake kwam.
En dat was váák, want die barre tijd, die bleef hun denken beheersen. ‘t Was zo’n wond, die niet dicht wilde.
Ze woonden na de oorlog weer in hetzelfde huis, waar ze in 1941 waren uitgevlucht. Toen ze er na de bevrijding terugkeerden, zat er een foute [“fout”, letterlijk “incorrect”, betekent hier: aan de kant van de Duitsers in de oorlog] heer in die er niet uit wilde. Maar ze hebben met succes tegen hem geprocedeerd. De man bleek een slechte verliezer te zijn. Voor hij het huis verliet heeft hij, geholpen door zijn dierbaren, alles wat zich daarvoor ook maar enigszins leende in het huis grondig vernield. Maar goed, dat werd hersteld en er kwam weer een inboedel in. Van die oorlog was toen niets meer te zien. Die leefde alleen nog in hun geest.
Toen ik zo’n jaar of tien na de bevrijding eens bij ze op bezoek kwam, zat een bleek jongmens in de huiskamer, toegewijd bezig met het nuttigen van een gebakje.
‘Dat is Joop,’ zei de oude mevrouw, ‘Joop is de zoon van een meneer, bij wie we bijna een jaar ondergedoken hebben gezeten. Hè Joop?’ Het jongmens knikte.
‘Ach ja…’ vervolgde de oude mevrouw. ‘Hij was toen nog maar zo’n jochie, hè Joop? En dan kwam hij wel eens bij ons, op zolder – want we zaten daar op de zolder, ziet u – en dan zei hij: “Jullie zijn joden, dat weet ik best. En als jullie me geen kwartje geven, dan ga ik het vertellen op school, en bij mij in de klas zit het dochtertje van een NSB’er.”’
‘Nee, nee, nee, het zoontje,’ verbeterde Joop.
Hij stelde er blijkbaar prijs op dat de vertelling er volkomen gaaf uit zou komen.
‘O ja, een neefje,’ zei de oude mevrouw. ‘Nou, en dan betaalden we dat kwartje maar, hè Joop? Ach, je was eigenlijk nog maar een kind.’
Joop lachte feestelijk, als iemand die het middelpunt is van een aardige anekdote.
En de oude mevrouw zei: ‘We hebben ook eens een paar maanden gezeten bij een dame, die romans schreef, die niemand had willen uitgeven. Dat was toch zo’n nare tijd, hè, want ze wilde per se dat wij al die romans zouden lezen. Afschuwelijk vervelende boeken waren het. Ik kon er bijna niet doorhéén komen. Ik zei wel eens tegen mijn man: “Ik ga nog liever naar een kamp.” Maar ja, je las maar door, hè, want ‘s avonds, dan stelde ze er wel eens vragen over.’ Ze glimlachte.
Ik dronk mijn kopje thee leeg en stond op, omdat het weer tijd werd om naar huis te gaan.
Mijn jas lag in de achterkamer, op een stoel.
Terwijl ik ‘m aandeed, werd mijn aandacht getrokken door een groot schilderij dat aan de muur hing. Ik had het daar nooit eerder gezien. Het was een dubbelportret uit de twintiger jaren.
Je zag een vrouw in gedachten verzonken op een stoel zitten. Een man stond bij het raam en keek peinzend naar buiten.
‘Wie zijn die mensen?’ vroeg ik.
‘We kennen ze niet,’ zei de oude mevrouw. En toen ze de lichte verbazing op mijn gezicht zag, vervolgde ze: ‘We hebben het gekocht op een veiling, ziet u.’
‘En eh… Vond u het zo mooi?’ vroeg ik.
‘Nou mooi, mooi… Ach nee,’ zei ze, ‘maar mijn man en ik werden erdoor getroffen. We vonden allebei: ‘t is net of die mensen denken, waar zullen wij nou eens gaan onderduiken?’
Leave a comment